Botten

Lente 2008. Teerbeminde en ikzelf struinden rond in de Big Apple, NYC. Vanop een hele afstand zien we al een groep meisjes naderen. Ze waren met drie en ze vielen nogal op in het straatbeeld. Omdat ze, op die hele week en in die hele, enorme stad, de enige meisjes waren die bij een graad of 26 en een stralende zon, kniehoge botten onder hun rokken droegen. Ik weet niet meer zeker of er nu zelfs een haar jeans in haar botten had gestoken of dat ik dit nu ter plaatse bijfantaseer, maar het is een feit dat ik me dit 4 jaar later nog steeds herinner alsof het een half jaar geleden was.

Zomer 2012. Ik sta op het perron op de trein naar het werk te wachten. Opnieuw een stralend blauwe hemel, het belooft warm te worden vandaag, opnieuw een graad of 26. Ik zie luchtige zomerbroeken, topjes, kleedjes, sandalen, flipflops, pumps, ballerina’s. En hier en daar, als een donkere smet tussen al die zomerfleurigheid, pikzwarte kousen. Een lucht zomerkleedje, met daaronder dan verschrikkelijk warm uitziende pikzwarte kousen. En, de genadeslag, een stel kniehoge laarzen.

Kijk, ik ben zot van botten. In de winter. In de herfst. Met een stel dikke, warme kousen en een leuke winterrok. Zalig als het, ik zeg nu maar iets, 5 graden is buiten en je bent die eeuwige lange broeken meer dan beu. Geweldig. Comfortabel, mooi, warm. Noem maar op.

Maar ik ben zwaar allergisch en krijg grijsgroengestreepte bollen van mensen die het nodig achten om in het putje van de zomer, bij temperaturen boven de 25 graden en geen spatje regen de eerstkomende 48u, botten aan te doen. Hoge botten. Met kousen.

Dus, beste dames. Laten we een afspraak maken. Neem die lederen laarsjes en zwier ze in uw kleerkast. En laat ze daar vooral zitten. Tot, pakweg, half november. Of december, als ik helemaal wild mag doen. Daarna mag je ze van mijn part alle dagen aandoen, tot in bed toe. Maar nu even niet.

Belgische vrouwen en hun botten. Het is welletjes geweest.